Schilderijen:

1: Verloren kind

Acryl op paneel  35 / 16 cm  1995

2: Wie ben ik?

Acryl op doek 160 / 110 cm 1994

3: Wie zij was I

Acryl op doek 90 / 100 cm 1994

4: Wie zij was II

Acryl op papier 55 / 50 cm 1994

5: De noodzaak van het Zelf

Acryl op doek 120 / 100 cm  1996

Werd ik door dat wegstoppen steeds vaker ziek? Of was het ‘ziek zijn’ een roep vanuit een veel diepere stroom? Behoedzaam werd ik immers vanuit Gods zorg naar binnen geleid, de grot in, diep het eigen labyrint in, op zoek naar de verhalen, die verstoorden. Er kwamen soms inzichten geholpen door een soort van innerlijke samenspraak. Het was dan of ik vanuit dat innerlijk labyrint langzaam wakker werd geschud en ik schreef over het leven:


‘God, lijdt U ook?

Ik voel van wel.

Leed is in het leven onmisbaar

Is leren hoe leven moet.

Lijden is stoten.

Maar dan de ogen opslaan en zien

Begrijpen en verder gaan.


Lijden is verwond worden in lichaam en ziel.

In ziel is dat verpletterend soms

Verengend en sluitend soms.

Toch vergt het leven weer opengaan

En voort

Tot het einde.


Een nieuw begin.


Uit: Zomaar een vrouw

Hfds. 2. ‘89

Het is negentienzestig, ik ben dertien jaar en heb heel mijn leven al met

poppen gespeeld. Met een aantal ervan kan ik ook praten en ik voel en hoor dat ze werkelijk terug spreken, als kleine bezielde wezentjes. Ik hou mateloos van mijn poppen, maar toch zijn er ook, die wat kapot zijn. Er ontbreekt iets aan ze, een been, een arm of een oog of de kleertjes zijn kapot en die poppen zal ik gaan begraven in het bos, waar ik altijd speel. De beschadigde poppen mogen gaan slapen in de grond, vind ik, hun tijd is geweest.

Met een verzilverde soeplepel, die ik meeneem van huis, graaf ik langgerekte sleuven in de aarde. Daarna leg ik in ieder grafje een gehavende pop, op een bedje van al wat herfstige bladeren. Daaroverheen komt een plak heel zacht groen mos en op de kleine grafjes plaats ik een houten kruisje van dunne takjes, verbonden door lange sprietjes nog bloeiend gras. Uren ben ik er mee bezig.

Drie dagen later staan al mijn, net begraven, poppenkinderen springlevend en opgepoetst te pronken voor het raam van wat - naar ik meende - een vriendinnetje was. Ze staan daar te glimmen met nieuwe kleertjes aan, met nieuwe armen, benen of ogen.

Ook al weet ik, al van heel jongs af aan, van het terugkerende, in een andere vorm, op een andere plek, toch ben ik verwonderd. Ik leef echter, zonder deze poppenkinderen maar gewoon verder, zonder er thuis ook maar iets over te zeggen. Het lijkt immers een gebeuren, dat gevoed wordt vanuit een verborgen en wel haast mythisch verte. Voor mij voelt dat gelukkig wel, als een inspirerende verte, eentje die diep in mijn eigen binnenste verscholen ligt en barstensvol geheimen is.

Uit de vertelling: Poppen en ik

Het is oktober 2006, ik heb vannacht al de dagboeken van mijn ouders verscheurd. Ik dank het Leven voor sommige nare dingen, die er op mijn pad zijn gekomen, toen ik klein was. Het sloot delen van mijn hart. Daardoor voelde ik de negativiteit, die er tussen mijn ouders hing veel minder, iets wat ik nu pas inzie. Door hun dagboeken nu te lezen, nu mijn hart weer open is, ervaar ik pas echt het afschuwelijke gedoe dat er tussen mijn moeder en vader hing. Ik word er letterlijk kotsmisselijk van. Ik hoop van harte dat, door alles te verscheuren wat daar nog aan herinnerde, ik dat leed de wereld uit heb geholpen.

Ouders zijn er m.i. om karma aan te zetten, voorwaar geen geringe klus.

Ik weet waarom ik hen als mijn ouders heb gekozen,

ook hou ik van hen en zal dat altijd blijven doen.

Even twijfel ik echter, in deze heftige nacht, of ik nog wel door wil

gaan met dit boek, omdat er zo toch dingen beschreven blijven.

De dag na het verscheuren besluit ik toch verder te gaan en die

herinneringen, die ik wil bewaren als stappen onderweg in het

leven van ‘zomaar een vrouw’, toch aan het papier toe te vertrouwen.


Uit: Zomaar een vrouw

Hfds. 1

Toch was het zo, dat ik in dat jaar negentienzestig zonder mijn oude poppen, de poppen die ik begraven had, maar ook door het gedoe met mijn ouders, iets verloren was. Het praten met mijn poppen ging niet meer, nooit meer, ik was het kwijt geraakt. Lang herinnerde ik me het gevoel wel, maar kon het niet meer terugvinden in mijn lijf.

Pas sinds heel kort en dat is meer dan achtenveertig jaar later, vind ik plots weer iets terug. Ik begin het te herkennen, in wat ik voel bij het schrijven van mijn verhalen. Het is of het verhaal tot me spreken wil, of het schrijven wordt tot tweegesprek, scheppende zichzelf, maar ook mij, in uitwisseling van woorden. Woorden, die werelden van ervaring vertegenwoordigen en soms bezielende woorden blijken te zijn, die leven scheppend kunnen zijn. Ze komen uit een diepte in mijzelf, waarin alles aanwezig is, als in een kruik vol verhalen. Het is of ik iets teruggevonden heb in mijzelf! Ik noem het mijn innerlijk wezen. De poppen waren ooit de stemmen van dat innerlijk wezen, dat zijn nu mijn verhalen. Verhalen die ooit geleefd zijn in mij, door mij en samen met anderen.

En nu? Nu willen ze aan hun ervaren ‘stem’ geven. Al schrijvend begrijp ik, dat ik mijn leven geleefd heb, opdat het eens verteld kan worden. Al vertellend weet ik, dat die tijd aangebroken is, Nu.


Uit de vertelling: Poppen en ik

Tijdens de laatste avond van die vastenweek vlak voor pasen ‘96, toen ik een masker van groene klei op mijn gezicht kreeg dat strak opdroogde, was het of ik daarachter mijn eigen gevangenschap ervoer.

Een grimmige gevangenschap beleefde ik, waar ik - met alle kracht in mij - uit wilde stappen. Het was een gevangenschap, die ik nooit meer wilde ervaren. Later, weer thuis, schilderde ik wat ik toen aan beperking voelde. Ik noemde het schilderij ‘de Noodzaak van het Zelf.


Uit: Zomaar een vrouw

Hfds. 3

Echt diep naar binnen gaan in mijzelf durfde ik echter niet. Veilig was het nog, als ik woorden kon vinden vanuit een algemeen beleven. Doch langzaam sloop het grote innerlijke leed steeds dichterbij. Eerst echter nog in spiegels. Het aangaan van het werkelijke leed in mijzelf kon nog niet, het kon alleen nog maar getoond worden in de spiegels om mij heen.


Uit: Zomaar een vrouw

Hfds. 2. ‘89

Een joods meisje


Door een kier iets zichtbaar

Een bestaan vermoed

Kortstondig gevoeld.


Leed en vernietiging zijn echter te groot nog

Veel te groot nog

Om volledig tot mij te geraken.


Uit: Zomaar een vrouw

Hfds. 4

volgende>5._Zweethut.html5._Zweethut.htmlshapeimage_2_link_0
<vorige3._Enkel_zwart_.html3._Enkel_zwart_.htmlshapeimage_3_link_0

Alles wat op deze website staat valt sinds 2009 onder Copyright © van Renate Groen.

Teksten en/of foto’s mogen alleen gebruikt worden na toestemming van Renate Groen. info@renategroen.nl